<$BlogRSDUrl$>

woensdag, november 05, 2003

ENGELSMAN (8)

Hij doceerde Oost-Aziatische geschiedenis aan een universiteit in Australië, maar dat hoorde ik pas bij het ontbijt na een lange nacht waarin Michael zich uiterst traditioneel mannelijk had opgesteld, wat had geleid tot saaie maar langdurige discussies over waarom ik niet met hem en hij wel met mij wilde vrijen. Als mijn aandacht even verzwakte, omdat het laat was, omdat ik moe was, omdat ik toch al op bed lag, meende hij nieuwe pogingen te moeten wagen die ik dan weer verbaal moest ontmoedigen. En de hasj raakte op den duur ook uitgewerkt. Ik besloot de volgende dag zo snel mogelijk desnoods naar een vensterbank te verhuizen.
Nu, bij het schelle neonlicht in de sobere eetzaal, voerden we een beleefd kennismakingsgesprek waar we geen van beiden erg opgewonden van raakten.
Hoe lang hij nog bleef? Tja, uh, dat lag er een beetje aan. Waaraan? Tsja, enfin, hij was verliefd op Maella en wilde kijken hoe ver hij kwam. Maella, de Iraanse lerares Engels, opgeleid in Londen, van gegoede Iraanse ouders, gelieerd aan het Afghaanse koningshuis, en volgens mij een bitch van het zuiverste water. Maar ik was allang blij dat zijn nachtelijke ouvertures dus niet amoureus van aard waren geweest.
Na het ontbijt kreeg hij op ons beider aandringen een andere kamer in hetzelfde hotel en was er dus in ieder één probleem opgelost. Ik werd in de daaropvolgende dagen wel zijn confidante over de ontwikkelingen of het gebrek daaraan tussen hem en Maella. Het was geen pretje, want hij kwam geen stap vooruit en zijn verliefdheid loeide alleen maar aan. Ik probeerde hem zoveel mogelijk te ontlopen, maar Kabul was een kleine stad waar de anonimiteit ver te zoeken was.
Ik ging veel mijn eigen gang, fotografeerde, ging naar musea, en ging soms mee als de busgroep, ooit door het toeval en de hasj samengebracht, besloot gezamenlijk te gaan eten of bij Maella's familie werd uitgenodigd. Dat was pas echt feest. Als geboren voyeur kon ik nu met eigen ogen zien hoe Michael dacht de Perzische voor zich te winnen.


dinsdag, oktober 28, 2003

Er zijn dagen dat ik alleen maar kan opstaan als ik mezelf beloof dat ik bloemen mag kopen. Als er dan in de winkels geen bloemen zijn die ik in huis wil hebben, ben ik in ieder geval op en lijkt het alsof ik deelneem aan het leven.

Onderweg naar het leven begon er in mijn auto iets te rammelen. Het was een geluid waarvan de garagist even later zei dat hij in zijn hele lange carrière zoiets nog nooit gehoord had. Het bleek een bout van de remschijf te zijn die zich losgetrild had en op weg was naar een ander bestaan. Ik vroeg wat er gebeurd zou zijn als ik er mee doorgereden was. Niks bijzonders, de bout zou losgelaten hebben, het geluid verdwenen en pas bij de volgende beurt zouden ze het gemis ontdekt hebben. Zou het gevaarlijk zijn geweest, vroeg ik, verlangend naar drama. Nee hoor, dacht hij me gerust te stellen. Ik was ernstig teleurgesteld. Weer niks beleefd.


ENGELSMAN (7)

Het geheugen is een merkwaardig landschap, met valkuilen en fata morgana's, negatieven van dia's, verraderlijke bergen en valleien, wegen door duistere bossen vol bomen met menselijke eigenschappen. Je denkt dat je houvast hebt aan een rotsbeeld van het verleden en het smelt als suiker onder je handen.
En toch. En toch.

In mijn blauwe supermarktmandje lag een tube tandpasta die op mijn netvlies naadloos overging in eenzelfde tube op de rand van een vuile wasbak in een morsige hotelkamer. Op het bed lag een jongeman.
Ik tolde van de hasj, was zo stoned als een gemarineerde garnaal en poetste als een braaf meisje mijn tanden voor het slapengaan omdat dat nu eenmaal op mijn harde schijf stond gegrift.

Een bus had mij en zeven andere reizigers van Teheran naar Kabul gebracht. De chauffeur had haast en in plaats van de twee overnachtingen waar we onderweg recht op hadden, bood hij ons gulle brokken van de hasj die hemzelf op de lange rit overeind hield. Dat brak ons verzet voor één nacht, maar er dreigde een passagiersopstand toen hij de tweede nacht, in Kandahar, ook wilde overslaan. We waren moe, vies en waren geen forensen maar toeristen, we wilden iets zien. Zijn eigenzinnige rijschema bracht ons om vijf uur 's ochtends voor de gesloten stadspoorten van Kandahar. Weer hasj ter compensatie voor het gedwongen wachten, alsof het pepermunt was. We vlogen even later op gehallucineerde vleugels de stad in, die rijker aan zintuigelijk genot was dan een stad kan zijn. De moskeeën schitterden blauw en goud in licht dat pas een paar meter boven de grond door stofdeeltjes gebroken werd. We doolden als groep door de straten, en omdat de hasj niet op kon, wisten we zeker dat we allemaal tot het einde der tijden van elkaar zouden blijven houden.
Toen we 's avonds laat in Kabul aankwamen, bleken alle goedkope hotels zo vol dat we ons in paren afsplitsten. De Iraanse Maella was al bij familie onderdak. Ik vond samen met een van de mannelijke passagiers eerst een brede vensterbank waar we voor één dollar de nacht mochten doorbrengen en even later een echte kamer. In mijn eufore staat had ik de vensterbank ook best gevonden, maar mijn lotgenoot hield vol tot we een bed konden huren waar hij nu met gesloten ogen op lag terwijl ik toilet maakte.
Het was achteraf niet zo raar dat ik hem, of hij mij, niet meteen had herkend. We waren oude mensen geworden, met nieuwe rimpels, huidplooien, vetrollen en kreukels die we dertig jaar geleden met de arrogantie van de eeuwige jeugd niet voor mogelijk hadden gehouden. Hij had geen baard meer, zijn haar was kort en had een andere kleur, ik had geen vierkante bril meer en mijn kleren waren zes maten groter.
`Hoe heet je eigenlijk?' had ik via de spiegel aan de man op het bed gevraagd.
`Michael', mompelde hij zonder zijn ogen te openen. `Michael Vicary'.



donderdag, oktober 23, 2003

ENGELSMAN (6)

De arts vroeg of ik misschien wat toiletspullen voor hem kon brengen. Uit zijn koffers wellicht? Ik herinnerde me Vicary's snauw toen ik ze uit de loop zette en besloot pas in het uiterste geval tot het Openen der Koffers over te gaan. Het had geen haast, zei de arts, maar ze ging er wel van uit dat hij binnen niet al te lange tijd zou bijkomen. Ik had nog wel ergens een oude mannenpyjama in zijn maat (mannen gaan maar hun pyjama's blijven bestaan) en tandenborstel enzo kon ik kopen. Kleine liefdadigheid.
Nu ik zijn naam wist, wilde ik hem eigenlijk even zien, kijken of er dan lucht bij mijn geheugen kwam waaruit een herinnering kon komen opborrelen. Ik was al gaan staan. De arts aarzelde, maar zei toen kordaat: `Ga maar mee'.
De ziekenhuisgangen waren leeg, klaar voor rampen,m er konden wel honderd extra bedden staan als er in de omgeving iets zou ontploffen of instorten.
De arts liep gehaast voor me uit, haar witte vleugels wapperden weer, ondertussen beantwoordde ze een telefontje met `Ja' en `Goed' en `Straks dan'. Deuren klapten automatisch open en dicht om onze opmars te bespoedigen.
Vicary lag als een bleke spin in een web van draden en buizen, van zijn gezicht viel weinig te zien en zijn ogen waren gesloten. Ik keek naar zijn ademhaling, de zwoegende borst en naar de machines die hem het sterven voorlopig beletten of misschien alleen maar registreerden dat het leven nog niet geweken was.
Vicary was nu slechts een organisme en zijn naam deed er helemaal niets toe.
Ik leunde over de rand van het bed, streelde een bloot stukje arm en fluisterde dicht bij zijn oor: `Mister Vicary, Michael, kom alsjeblieft terug'.
Op weg naar huis ging ik langs de supermarkt om tand- en scheerspullen te kopen, in de hoop dat hij het ooit nog nodig zou hebben. Ik stond met mijn mandje voor de kassa en plotseling wist ik het.

dinsdag, oktober 21, 2003

ENGELSMAN (5)

Opgebroken straten gaven me onderweg extra tijd om na te denken. De naam Michael Vicary klonk vaag bekend, maar graven in mijn geheugen leverde niets op. Ik kende bij mijn weten ook niemand in Engeland behalve La Barbara, maar zij was een vrouw en haar zou ik wel herkend hebben. Ik liet de vraag lopen, in het vertrouwen dat de hersens wel door zouden zoeken terwijl ik aan iets anders dacht.

Het duurde even voor de vrouwen achter de balie de voor hun nog steeds naamloze patiënt hadden gevonden.
`Hij ligt op intensive care, in coma. Zijn toestand is kritiek. Hij mag geen bezoek. Bent u familie?'
`Nee, maar ik weet nu hoe hij heet'.
Ik overhandigde de portefeuille en wees op het rijbewijs.
`O ja, hij is bij u opgehaald. We hebben uw nummer, we bellen wel als hij bijkomt. De arts wil trouwens nog graag wat informatie over wat er precies gebeurd is'.

Ik kon in het cafetaria wachten en dronk een cappuccino. Ik voelde me slecht op mijn gemak met mijn status van meest naast persoon van deze onbekende. Of toch niet onbekende? Had ik Engelsen ontmoet toen ik in Amerika naar highschool ging? Ja, een, maar die heette Jonathan. Of nog eerder, tijdens mijn jaarlijkse bezoek aan mijn ouders in Nigeria? Of later op de beurs in Frankfurt? Vast wel, maar dan moest ik gaan graven in agenda's of oude notulen. Had ik die nog wel?

De arts arriveerde met flapperende witte jaspanden en hoorde mijn verhaal staand aan. Ze leek niet verbaasd, zei alleen dat hij er ernstig aan toe was, `een herseninfarct', en herhaalde dat ze me zouden bellen.
Ik aarzelde. Zou ik zeggen dat dat niet hoefde of wilde ik weten hoe het hem verging? Ik besloot te zwijgen. Ik had tenslotte ook zijn koffers nog.


vrijdag, oktober 17, 2003

ENGELSMAN (4)

Bonken was misschien niet het goed woord voor de vrijwel onbespeurbare hartenklop, maar ik wilde dat het hart bonkte, steeds harder, tot het zijn zwak ademende eigenaar zou wekken uit zijn bewusteloze staat.
Ik praatte, in het wilde weg: `Niet opgeven, je bent nog lang niet klaar in dit leven, kom op, je wil toch nog wel een zonsopgang meemaken, of eindelijk je foto's opruimen, of de Amazone zien'. Enzoverder. Ondertussen streek ik over zijn weerbarstige haar en luisterde af en toe naar raadgevingen van de dame van 112: jas uit, kleren losmaken, gebit uit (had hij niet goddank), laat hem niet afkoelen. Ik verlegde af en toe een vaasscherf om hem niet ook nog een bloedende wond te bezorgen.
De eeuwigheid hield op toen de bel ging en de paramedici binnenkwamen. Ze vulden de hele flat met hun activiteit, energie en deskundigheid. Voor het goed tot me doordrong hadden ze mijn gast op een brancard getild en waren ze weer verdwenen, naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Op de valreep vroegen ze zijn naam en of ik mee wilde.
`Nee hoor, ik heb geen idee wie dit is'.
Ze aarzelden even, maar hadden geen tijd om op mijn uitleg te wachten en zeiden dat het ziekenhuis dan zo wel zou bellen.

Mijn huis was opeens leger dan het ooit geweest was, ondanks de koffers die nog steeds in de weg stonden, en de plek waar de vriend van mr Lovejoy gelegen had schreeuwde bijna om een krijttekening. Ik pakte zijn jas, ruimde de scherven op en kon toen opeens niet meer op mijn benen staan, mijn knieen knikten, de schrik drong door. Ik liet me op de bank vallen en sloot mijn ogen tegen het beeld van de onbekende die misschien wel aan het sterven was, een paar kilometer verderop.
Ik zou in zijn spullen moeten kijken, op zoek naar zijn naam. De jas lag naast mij. In de zakken? Een tramkaart, met Amsterdamse instapcodes, een treinkaartje, enkeltje Zaandam, een rol pepermunt. Binnenzak misschien? Jawel, een portefeuille. Wat Engels geld, wat Euro's, een paar creditcards, en een Brits rijbewijs, op naam van Michael John Vicary, 60 jaar, woonachtig in Londen.
Ik besloot zelf ook naar het ziekenhuis te gaan.





woensdag, oktober 15, 2003

ALBRIGHT
JB noemde het een `meet-and-greet', op de uitnodiging stond `receptie', de directeur (v) van het John Addams Institute kondigde een `borrel' aan, maar hoe het ook heette, ik heb het niet gehaald.
Ms Albright, madame secretary, hield een lezing in de prachtige Koepelzaal van het Renaissance Hotel (vh volgens mij Sonesta), en dezen en genen waren aanwezig, waaronder ik en vriendin NvL-S. Verder weinig hotemetoten die ik herkende, behalve Jozias van Aartsen, meisje Toth, Jan Donkers die MA een openbaar interview afnam, oud-studiegenoot Martijn Sanders die verbaasd constateerde dat ik niet meer op Bonaire woonde, en Neelie Smit-Kroes-Peper (die veel slanker was dan ik me haar herinnerde, wat verdriet al niet voor je kan doen, doe mij nog eens een portie ellende). Ik zat naast een GPD-verslaggever die ongeveer mijn schoenmaat had, geen pepermuntjes wilde en die middag nog met hare MA-ness gesproken had. We zaten op stoeltjes die binnenkort, als de grote vetzucht aanhoudt, niet meer geschikt zullen zijn voor een gemiddeld lid van het publiek.
MA is klein, gezet, energiek en zeer aanwezig. Haar gezicht is nog steeds mooi, zeker als je de ouderdomskwab onder haar kin weigert te zien. Ze sprak duidelijk, helder, intelligent en had de volledig uitverkochte zaal in haar ban en was bijzonder innemend en zelfs indrukwekkend. Het boek doet haar tekort.
Ik heb geen citaten (behalve de `two stubborn old men' die volgens haar het Israelische-Palestijnse conflict beheersen), zal morgen het Noord-Hollands Dagblad moeten kopen.
Om 22.00 uur was het spreekgedeelte afgelopen. Vriendin kocht nog een van tevoren door MA gesigneerd exemplaar en we besloten te vertrekken. Zij omdat ze nog twee uur naar huis moest treinen, ik omdat ik geen zin had me nog een uur klein te maken in een massa mensen en langzaam (tussen de mannen met oordopjes, volgens JB) op te rukken naar de vleesgeworden omslag van Time die alle aanwezigen wilden aanraken.
In een ijzige koude herfstwind liepen we dus naar het Centraal Station, weg van de passerende grote der aarde die zich wentelde in de adoratie van Amerikaanse ex-pats en Nederlandse fans.

ENGELSMAN (3)
Er lag een man bewusteloos op zijn rug in mijn werkkamer en ik wist niet eens hoe hij heette.
Geen paniek, vooral geen paniek.
Ademde hij nog? Moest ik het alarmnummer bellen, of eerst MT, die altijd raad weet als er iets errugs gebeurt? Nee, ze zegt vast dat het en hij geen kwaad kunnen. Dat ik het maar even moet aanzien. Daar was ik niet toe in staat.
Ik schudde aan de man, riep `sir' en `mister' en `hello' en `godverdomme', maar hij bleef levenloos, bewegingloos.
Werd hij soms blauw, net als de oude vrouw die ooit in het voormallige postkantoor achter het Paleis op de Dam uit mijn ondersteunende arm glipte en een paar minuten later overleed? Nee, hij was alleen lijkbleek. De zon scheen meedogenloos door de balkondeur op zijn vale gezicht.
De seconden tikten traag weg. Ik belde 112 en moest vragen beantwoorden waar ik pas na lang nadenken op kon reageren, mijn naam, mijn adres en telefoonnummer.
`Er is haast bij!' schreeuwde ik wanhopig.
`Als u rustig blijft, kunt u hem misschiern helpen. Voelt u de hartslag?
Tzjezus.
`Een ambulance!' smeekte ik.
`Is onderweg, maar voelt u ondertussen of u zijn hart voelt slaan. Pols, nek of borst. Ademt hij nog?'
Spiegeltje, dacht ik, dan hoefde ik hem niet aan te raken. Nee, kost te veel tijd. Ik legde de telefoon in mijn nek en voelde ondertussen aan zijn pols, op zoek naar beweging van bloed.
Ja. Ja, goddank, een zwak, onregelmatig bonken.


vrijdag, oktober 10, 2003

ENGELSMAN (2)
Ik wees de man een stoel aan de eettafel en zocht het telefoonboek op. Hij zuchtte zwaar voor hij het opensloeg, bijna tegen de lepel in de suikerpot die naast de thee stond.
`Wilt u misschien wat thee drinken?' Het stond er toch. Ja, dat wilde hij wel. Geen suiker, dank. Ik liep naar de keuken voor een beker, struikelde bijna over zijn koffers die het halletje vulden en zette ze een beetje opzij.
`Niet aankomen, alstublieft', snauwde hij.
Ik reageerde niet en schonk hem zijn thee in.
Hij zette een bril op, bladerde, zuchtte. En bladerde, zuchtte.
`Kunt u het niet vinden?'
`Nee, mag ik misschien even van de telefoon gebruik maken?' Hij legde een biljet van tien euro op tafel: `Ik moet naar Engeland bellen'.
Ik wees hem de telefoon in mijn werkkamer en ging zitten wachten op de bank, waar ik zicht op hem had.
Ik had de indruk dat hij een paar verschilllende nummers probeerde, maar nergens gehoor kreeg. Hij sprak zelfs niets in op een antwoordapparaat. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos, maar er stonden zweetdruppels op zijn voorhoofd. Bij het opstaan stootte, of viel, hij zo hard tegen het bureau dat de vaas met witte lelies in een elegante maar vernietigende boog tegen de grond viel.
`Shit! Sorry.'
Overal scherven. Overal water. Hier en daar een lelie.
Hij boog zich voorover om de scherven en de bloemen op te rapen en onderweg naar de plaats van het ongeluk zag ik hem onderuit gaan, zonder beheersing van zijn spieren, zijn gezicht doodsbleek, zijn jas die zich als een wade om hem heen legde.

TREFFEN (2)
Lijn 2 in Amsterdam heeft tegenwoordig een conducteurspost en iedereen moet bij die (een-na-laatste) deur instappen. Natuurlijk glippen er instappers langs de uitstappers bij andere deuren. Zo ook vanavond: een Oost-Europeaan met een vioolkist. De conducteur roept om: `Wil die meneer met die accordeon bij de conducteur komen?'




This page is powered by Blogger. Isn't yours?