<$BlogRSDUrl$>

dinsdag, oktober 28, 2003

Er zijn dagen dat ik alleen maar kan opstaan als ik mezelf beloof dat ik bloemen mag kopen. Als er dan in de winkels geen bloemen zijn die ik in huis wil hebben, ben ik in ieder geval op en lijkt het alsof ik deelneem aan het leven.

Onderweg naar het leven begon er in mijn auto iets te rammelen. Het was een geluid waarvan de garagist even later zei dat hij in zijn hele lange carrière zoiets nog nooit gehoord had. Het bleek een bout van de remschijf te zijn die zich losgetrild had en op weg was naar een ander bestaan. Ik vroeg wat er gebeurd zou zijn als ik er mee doorgereden was. Niks bijzonders, de bout zou losgelaten hebben, het geluid verdwenen en pas bij de volgende beurt zouden ze het gemis ontdekt hebben. Zou het gevaarlijk zijn geweest, vroeg ik, verlangend naar drama. Nee hoor, dacht hij me gerust te stellen. Ik was ernstig teleurgesteld. Weer niks beleefd.


ENGELSMAN (7)

Het geheugen is een merkwaardig landschap, met valkuilen en fata morgana's, negatieven van dia's, verraderlijke bergen en valleien, wegen door duistere bossen vol bomen met menselijke eigenschappen. Je denkt dat je houvast hebt aan een rotsbeeld van het verleden en het smelt als suiker onder je handen.
En toch. En toch.

In mijn blauwe supermarktmandje lag een tube tandpasta die op mijn netvlies naadloos overging in eenzelfde tube op de rand van een vuile wasbak in een morsige hotelkamer. Op het bed lag een jongeman.
Ik tolde van de hasj, was zo stoned als een gemarineerde garnaal en poetste als een braaf meisje mijn tanden voor het slapengaan omdat dat nu eenmaal op mijn harde schijf stond gegrift.

Een bus had mij en zeven andere reizigers van Teheran naar Kabul gebracht. De chauffeur had haast en in plaats van de twee overnachtingen waar we onderweg recht op hadden, bood hij ons gulle brokken van de hasj die hemzelf op de lange rit overeind hield. Dat brak ons verzet voor één nacht, maar er dreigde een passagiersopstand toen hij de tweede nacht, in Kandahar, ook wilde overslaan. We waren moe, vies en waren geen forensen maar toeristen, we wilden iets zien. Zijn eigenzinnige rijschema bracht ons om vijf uur 's ochtends voor de gesloten stadspoorten van Kandahar. Weer hasj ter compensatie voor het gedwongen wachten, alsof het pepermunt was. We vlogen even later op gehallucineerde vleugels de stad in, die rijker aan zintuigelijk genot was dan een stad kan zijn. De moskeeën schitterden blauw en goud in licht dat pas een paar meter boven de grond door stofdeeltjes gebroken werd. We doolden als groep door de straten, en omdat de hasj niet op kon, wisten we zeker dat we allemaal tot het einde der tijden van elkaar zouden blijven houden.
Toen we 's avonds laat in Kabul aankwamen, bleken alle goedkope hotels zo vol dat we ons in paren afsplitsten. De Iraanse Maella was al bij familie onderdak. Ik vond samen met een van de mannelijke passagiers eerst een brede vensterbank waar we voor één dollar de nacht mochten doorbrengen en even later een echte kamer. In mijn eufore staat had ik de vensterbank ook best gevonden, maar mijn lotgenoot hield vol tot we een bed konden huren waar hij nu met gesloten ogen op lag terwijl ik toilet maakte.
Het was achteraf niet zo raar dat ik hem, of hij mij, niet meteen had herkend. We waren oude mensen geworden, met nieuwe rimpels, huidplooien, vetrollen en kreukels die we dertig jaar geleden met de arrogantie van de eeuwige jeugd niet voor mogelijk hadden gehouden. Hij had geen baard meer, zijn haar was kort en had een andere kleur, ik had geen vierkante bril meer en mijn kleren waren zes maten groter.
`Hoe heet je eigenlijk?' had ik via de spiegel aan de man op het bed gevraagd.
`Michael', mompelde hij zonder zijn ogen te openen. `Michael Vicary'.



donderdag, oktober 23, 2003

ENGELSMAN (6)

De arts vroeg of ik misschien wat toiletspullen voor hem kon brengen. Uit zijn koffers wellicht? Ik herinnerde me Vicary's snauw toen ik ze uit de loop zette en besloot pas in het uiterste geval tot het Openen der Koffers over te gaan. Het had geen haast, zei de arts, maar ze ging er wel van uit dat hij binnen niet al te lange tijd zou bijkomen. Ik had nog wel ergens een oude mannenpyjama in zijn maat (mannen gaan maar hun pyjama's blijven bestaan) en tandenborstel enzo kon ik kopen. Kleine liefdadigheid.
Nu ik zijn naam wist, wilde ik hem eigenlijk even zien, kijken of er dan lucht bij mijn geheugen kwam waaruit een herinnering kon komen opborrelen. Ik was al gaan staan. De arts aarzelde, maar zei toen kordaat: `Ga maar mee'.
De ziekenhuisgangen waren leeg, klaar voor rampen,m er konden wel honderd extra bedden staan als er in de omgeving iets zou ontploffen of instorten.
De arts liep gehaast voor me uit, haar witte vleugels wapperden weer, ondertussen beantwoordde ze een telefontje met `Ja' en `Goed' en `Straks dan'. Deuren klapten automatisch open en dicht om onze opmars te bespoedigen.
Vicary lag als een bleke spin in een web van draden en buizen, van zijn gezicht viel weinig te zien en zijn ogen waren gesloten. Ik keek naar zijn ademhaling, de zwoegende borst en naar de machines die hem het sterven voorlopig beletten of misschien alleen maar registreerden dat het leven nog niet geweken was.
Vicary was nu slechts een organisme en zijn naam deed er helemaal niets toe.
Ik leunde over de rand van het bed, streelde een bloot stukje arm en fluisterde dicht bij zijn oor: `Mister Vicary, Michael, kom alsjeblieft terug'.
Op weg naar huis ging ik langs de supermarkt om tand- en scheerspullen te kopen, in de hoop dat hij het ooit nog nodig zou hebben. Ik stond met mijn mandje voor de kassa en plotseling wist ik het.

dinsdag, oktober 21, 2003

ENGELSMAN (5)

Opgebroken straten gaven me onderweg extra tijd om na te denken. De naam Michael Vicary klonk vaag bekend, maar graven in mijn geheugen leverde niets op. Ik kende bij mijn weten ook niemand in Engeland behalve La Barbara, maar zij was een vrouw en haar zou ik wel herkend hebben. Ik liet de vraag lopen, in het vertrouwen dat de hersens wel door zouden zoeken terwijl ik aan iets anders dacht.

Het duurde even voor de vrouwen achter de balie de voor hun nog steeds naamloze patiënt hadden gevonden.
`Hij ligt op intensive care, in coma. Zijn toestand is kritiek. Hij mag geen bezoek. Bent u familie?'
`Nee, maar ik weet nu hoe hij heet'.
Ik overhandigde de portefeuille en wees op het rijbewijs.
`O ja, hij is bij u opgehaald. We hebben uw nummer, we bellen wel als hij bijkomt. De arts wil trouwens nog graag wat informatie over wat er precies gebeurd is'.

Ik kon in het cafetaria wachten en dronk een cappuccino. Ik voelde me slecht op mijn gemak met mijn status van meest naast persoon van deze onbekende. Of toch niet onbekende? Had ik Engelsen ontmoet toen ik in Amerika naar highschool ging? Ja, een, maar die heette Jonathan. Of nog eerder, tijdens mijn jaarlijkse bezoek aan mijn ouders in Nigeria? Of later op de beurs in Frankfurt? Vast wel, maar dan moest ik gaan graven in agenda's of oude notulen. Had ik die nog wel?

De arts arriveerde met flapperende witte jaspanden en hoorde mijn verhaal staand aan. Ze leek niet verbaasd, zei alleen dat hij er ernstig aan toe was, `een herseninfarct', en herhaalde dat ze me zouden bellen.
Ik aarzelde. Zou ik zeggen dat dat niet hoefde of wilde ik weten hoe het hem verging? Ik besloot te zwijgen. Ik had tenslotte ook zijn koffers nog.


vrijdag, oktober 17, 2003

ENGELSMAN (4)

Bonken was misschien niet het goed woord voor de vrijwel onbespeurbare hartenklop, maar ik wilde dat het hart bonkte, steeds harder, tot het zijn zwak ademende eigenaar zou wekken uit zijn bewusteloze staat.
Ik praatte, in het wilde weg: `Niet opgeven, je bent nog lang niet klaar in dit leven, kom op, je wil toch nog wel een zonsopgang meemaken, of eindelijk je foto's opruimen, of de Amazone zien'. Enzoverder. Ondertussen streek ik over zijn weerbarstige haar en luisterde af en toe naar raadgevingen van de dame van 112: jas uit, kleren losmaken, gebit uit (had hij niet goddank), laat hem niet afkoelen. Ik verlegde af en toe een vaasscherf om hem niet ook nog een bloedende wond te bezorgen.
De eeuwigheid hield op toen de bel ging en de paramedici binnenkwamen. Ze vulden de hele flat met hun activiteit, energie en deskundigheid. Voor het goed tot me doordrong hadden ze mijn gast op een brancard getild en waren ze weer verdwenen, naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis.
Op de valreep vroegen ze zijn naam en of ik mee wilde.
`Nee hoor, ik heb geen idee wie dit is'.
Ze aarzelden even, maar hadden geen tijd om op mijn uitleg te wachten en zeiden dat het ziekenhuis dan zo wel zou bellen.

Mijn huis was opeens leger dan het ooit geweest was, ondanks de koffers die nog steeds in de weg stonden, en de plek waar de vriend van mr Lovejoy gelegen had schreeuwde bijna om een krijttekening. Ik pakte zijn jas, ruimde de scherven op en kon toen opeens niet meer op mijn benen staan, mijn knieen knikten, de schrik drong door. Ik liet me op de bank vallen en sloot mijn ogen tegen het beeld van de onbekende die misschien wel aan het sterven was, een paar kilometer verderop.
Ik zou in zijn spullen moeten kijken, op zoek naar zijn naam. De jas lag naast mij. In de zakken? Een tramkaart, met Amsterdamse instapcodes, een treinkaartje, enkeltje Zaandam, een rol pepermunt. Binnenzak misschien? Jawel, een portefeuille. Wat Engels geld, wat Euro's, een paar creditcards, en een Brits rijbewijs, op naam van Michael John Vicary, 60 jaar, woonachtig in Londen.
Ik besloot zelf ook naar het ziekenhuis te gaan.





woensdag, oktober 15, 2003

ALBRIGHT
JB noemde het een `meet-and-greet', op de uitnodiging stond `receptie', de directeur (v) van het John Addams Institute kondigde een `borrel' aan, maar hoe het ook heette, ik heb het niet gehaald.
Ms Albright, madame secretary, hield een lezing in de prachtige Koepelzaal van het Renaissance Hotel (vh volgens mij Sonesta), en dezen en genen waren aanwezig, waaronder ik en vriendin NvL-S. Verder weinig hotemetoten die ik herkende, behalve Jozias van Aartsen, meisje Toth, Jan Donkers die MA een openbaar interview afnam, oud-studiegenoot Martijn Sanders die verbaasd constateerde dat ik niet meer op Bonaire woonde, en Neelie Smit-Kroes-Peper (die veel slanker was dan ik me haar herinnerde, wat verdriet al niet voor je kan doen, doe mij nog eens een portie ellende). Ik zat naast een GPD-verslaggever die ongeveer mijn schoenmaat had, geen pepermuntjes wilde en die middag nog met hare MA-ness gesproken had. We zaten op stoeltjes die binnenkort, als de grote vetzucht aanhoudt, niet meer geschikt zullen zijn voor een gemiddeld lid van het publiek.
MA is klein, gezet, energiek en zeer aanwezig. Haar gezicht is nog steeds mooi, zeker als je de ouderdomskwab onder haar kin weigert te zien. Ze sprak duidelijk, helder, intelligent en had de volledig uitverkochte zaal in haar ban en was bijzonder innemend en zelfs indrukwekkend. Het boek doet haar tekort.
Ik heb geen citaten (behalve de `two stubborn old men' die volgens haar het Israelische-Palestijnse conflict beheersen), zal morgen het Noord-Hollands Dagblad moeten kopen.
Om 22.00 uur was het spreekgedeelte afgelopen. Vriendin kocht nog een van tevoren door MA gesigneerd exemplaar en we besloten te vertrekken. Zij omdat ze nog twee uur naar huis moest treinen, ik omdat ik geen zin had me nog een uur klein te maken in een massa mensen en langzaam (tussen de mannen met oordopjes, volgens JB) op te rukken naar de vleesgeworden omslag van Time die alle aanwezigen wilden aanraken.
In een ijzige koude herfstwind liepen we dus naar het Centraal Station, weg van de passerende grote der aarde die zich wentelde in de adoratie van Amerikaanse ex-pats en Nederlandse fans.

ENGELSMAN (3)
Er lag een man bewusteloos op zijn rug in mijn werkkamer en ik wist niet eens hoe hij heette.
Geen paniek, vooral geen paniek.
Ademde hij nog? Moest ik het alarmnummer bellen, of eerst MT, die altijd raad weet als er iets errugs gebeurt? Nee, ze zegt vast dat het en hij geen kwaad kunnen. Dat ik het maar even moet aanzien. Daar was ik niet toe in staat.
Ik schudde aan de man, riep `sir' en `mister' en `hello' en `godverdomme', maar hij bleef levenloos, bewegingloos.
Werd hij soms blauw, net als de oude vrouw die ooit in het voormallige postkantoor achter het Paleis op de Dam uit mijn ondersteunende arm glipte en een paar minuten later overleed? Nee, hij was alleen lijkbleek. De zon scheen meedogenloos door de balkondeur op zijn vale gezicht.
De seconden tikten traag weg. Ik belde 112 en moest vragen beantwoorden waar ik pas na lang nadenken op kon reageren, mijn naam, mijn adres en telefoonnummer.
`Er is haast bij!' schreeuwde ik wanhopig.
`Als u rustig blijft, kunt u hem misschiern helpen. Voelt u de hartslag?
Tzjezus.
`Een ambulance!' smeekte ik.
`Is onderweg, maar voelt u ondertussen of u zijn hart voelt slaan. Pols, nek of borst. Ademt hij nog?'
Spiegeltje, dacht ik, dan hoefde ik hem niet aan te raken. Nee, kost te veel tijd. Ik legde de telefoon in mijn nek en voelde ondertussen aan zijn pols, op zoek naar beweging van bloed.
Ja. Ja, goddank, een zwak, onregelmatig bonken.


vrijdag, oktober 10, 2003

ENGELSMAN (2)
Ik wees de man een stoel aan de eettafel en zocht het telefoonboek op. Hij zuchtte zwaar voor hij het opensloeg, bijna tegen de lepel in de suikerpot die naast de thee stond.
`Wilt u misschien wat thee drinken?' Het stond er toch. Ja, dat wilde hij wel. Geen suiker, dank. Ik liep naar de keuken voor een beker, struikelde bijna over zijn koffers die het halletje vulden en zette ze een beetje opzij.
`Niet aankomen, alstublieft', snauwde hij.
Ik reageerde niet en schonk hem zijn thee in.
Hij zette een bril op, bladerde, zuchtte. En bladerde, zuchtte.
`Kunt u het niet vinden?'
`Nee, mag ik misschien even van de telefoon gebruik maken?' Hij legde een biljet van tien euro op tafel: `Ik moet naar Engeland bellen'.
Ik wees hem de telefoon in mijn werkkamer en ging zitten wachten op de bank, waar ik zicht op hem had.
Ik had de indruk dat hij een paar verschilllende nummers probeerde, maar nergens gehoor kreeg. Hij sprak zelfs niets in op een antwoordapparaat. Zijn gezicht was uitdrukkingsloos, maar er stonden zweetdruppels op zijn voorhoofd. Bij het opstaan stootte, of viel, hij zo hard tegen het bureau dat de vaas met witte lelies in een elegante maar vernietigende boog tegen de grond viel.
`Shit! Sorry.'
Overal scherven. Overal water. Hier en daar een lelie.
Hij boog zich voorover om de scherven en de bloemen op te rapen en onderweg naar de plaats van het ongeluk zag ik hem onderuit gaan, zonder beheersing van zijn spieren, zijn gezicht doodsbleek, zijn jas die zich als een wade om hem heen legde.

TREFFEN (2)
Lijn 2 in Amsterdam heeft tegenwoordig een conducteurspost en iedereen moet bij die (een-na-laatste) deur instappen. Natuurlijk glippen er instappers langs de uitstappers bij andere deuren. Zo ook vanavond: een Oost-Europeaan met een vioolkist. De conducteur roept om: `Wil die meneer met die accordeon bij de conducteur komen?'




woensdag, oktober 08, 2003

Engelsman (1)
Mijn liefde voor de mens wordt zwaar beproefd.
Vorige week ging op een zonnige nazomerse dag die veel moois beloofde maar niet nakwam, tegen een uur of vijf de deurbel. Ik rukte mij los uit mijn boek en deed de deur open. Ik zag de rug van een man die over de leuning van de galerij hing.
Pas toen ik vroeg `Heeft u gebeld?', draaide hij zich langzaam om. Bruine ogen, een bos grijzend krulhaar van donkerblonde oorsprong, bourgondisch postuur en kalmte.
`Excuse me', zei hij en gaf die zin niet de bijbehorende glimlach van een verontschuldiging. `does mr. Lovejoy live here?'
Nee, dat moest ik ontkennen. Of ik het zeker wist? want hij had dit adres heel recent gekregen van iemand die zich nooit vergiste. Neenee, echt niet. Hij keek vertwijfeld naar de twee koffers die ik nu schuin achter hem zag staan en vroeg of hij even in het telefoonboek mocht kijken. Twee koffers geven iemand dezelfde onschuldige aanblik als de aanwezigheid van een jengelende peuter, dus maakte ik ruim baan voor zijn entree in mijn hal. De koffers kwamen mee.
Had ik beter moeten weten?

dinsdag, oktober 07, 2003

Dogville
Drie uur film, waarvan slechts een paar minuten te veel. Von Trier is eigenlijk een ouderwetse verhalenverteller die in dit geval de prachtige stem van John Hurt had gebruikt om de beelden te begeleiden. Nicole Kidman was een acteerverrassing, heel geloofwaardig en bovendien prettig om naar te kijken. Het verhaal is vreselijk wreed en confronterend, maar, of daarom, indrukwekkend. De beelden onder de aftiteling deden wat mij betreft even afbreuk aan de universaliteit van het gegeven door de concretisering van de tijd en het gebied waar het verhaal zich afspeelde.

Coetzee
Zag zondagavond per ongeluk de herhaling van het interview van Wim Kayzer met J.M. Coetzee, in de serie `De schoonheid en de troost'. Had het de eerste keer gemist omdat ik op Bonaire zat. Ik was gefascineerd door de steile, voorzichtig formulerende Coetzee en dit keer zelfs door de anders vaak irritante Kayzer die nu het bijna gebrek aan tekst de vorm van zijn film liet bepalen. Die bovendien zijn bewondering voor Coetzee duidelijk liet blijken.
Coetzee woog elk woord en was niet te verleiden tot babbels.
Ik lees en herlees momenteel veel van zijn boeken en raak steeds meer onder de indruk van de schijnbaar simpele manier waarop hij zijn web spint.

zondag, oktober 05, 2003

DROOM (1)
Ik zit in een bus die niet bij mijn halte stopt. Als ik naar voren loop, blijkt er geen chauffeur te zijn. Die staat een eindje verderop langs de weg en als we in volle vaart passeren, drukt hij op een knop om de deur te openen, maar kan er natuurlijk zelf niet meer instappen. Hij blijft er heel kalm onder. Ik sta voorin en zie dat we recht op een stel stratenmakers afrijden. De andere passagiers blijven heel ontspannen toekijken hoe ik uiteindelijk besluit aan de handrem te trekken. Geen ongelukken.
Ik stap uit, loop door naar een soort warenhuis waar ik veel onnodige trappen op en af moet, omdat de architect dat mooi vindt. Praat met een oude vriend die het heel druk heeft, maar alsnog besluit met een ander vriendje drie dagen op een eiland te gaan beesten, terwijl hij mij beloofd had iets voor me te doen.

ANTILLIAANS KWARTIERTJE
Dankzij TB te B. wist ik dat er vandaag een Antilliaanse manifestatie was in het Cosmic Theatre in de Nes. Het zou van 14.00 tot 18.00 uur duren en 20 euro kosten. Vier uur is me te lang en 20 euro te veel, dus ik besloot tegen vijven eens te gaan kijken hoe het er was en of ik Hubert Vis (die genomineerd was voor een poëzieprijs) er zou treffen. Om vervolgens weer te gaan zeuren over het geld dat ik nog steeds van zijn stichting krijg.
Ik kwam gratis door de entree, maar moest me bijna met geweld de bomvolle zaal in werken, waar een voorstelling gaande was, en bleek toen praktisch op het toneel te staan, naast de hoofdrolspelers. Ik heb zo min mogelijk bewogen en standbeeld te-negeren-oudere-knar gespeeld. Na een warm kwartiertje ben ik naar de kantine gevlucht en, toen mijn koffie op was en ik hoorde dat het nog wel een uur kon duren voor iedereen naar buiten kwam, ben ik maar de herfstzon in gegaan, o.a. om een prachtig boeket paarse dahlia's en zwarte bessen te scoren.

TREFFEN (1)
Toneel: volle lijn 16. Voorin is nog een stoel vrij, als de vrouwelijke dertiger tenminste haar rommeltje op schoot neemt. Dat moet ik twee keer vragen en als ze dan haar spullen pakt, zijg ik neer, iets te vroeg, want ze moet ook twee keer grijpen kennelijk.
`Zou u even willen wachten tot ik mijn tas heb?' snauwt ze.
Ik: `Sorry, ik dacht dat je al klaar was'.
Ze snerpt: `U kunt toch wel even wachten!!'
Ik: `Natuurlijk. Goh, ben je een beetje gestresst?'
`Helemaal niet!! Ik vind het alleen niet prettig als mensen op mijn tas gaan zitten!!'
Ze heeft nog wel vijftien blaadjes van haar tijdschrift met duidelijk woedende bewegingen omgeslagen, af en toe zelfs tegen de wand van de tram. Had ik haar het nummer van mijn ex-therapeut moeten geven?

vrijdag, oktober 03, 2003

Vriendin LO, die ook in de provincie woont, had kaartjes bemachtigd voor een voorstelling van een groep waar ze vorig jaar erg veel plezier aan beleefd had. Geen idee hoe ze heten en ik denk dat ze ook geen lang leven beschoren zijn. Als ze al subsidie krijgen, gun ik hun dat, maar voor mij had het niet gehoeven. MT had blaasontsteking en ging dus niet mee, had bovendien ook last van haar televisiekanalen en in haar ijlkoorts was dat een bijna nog groter probleem. LO had een andere vriendin ter vervanging geregeld. Samen aten we eerst haar heerlijke gadogado. Daarna naar de plaatselijke cultuurtempel. De voorstelling heet Doop en had bijna landelijke bekendheid gekregen dankzij broer Fortuyn die meende dat Pim oneerbiedig werd opgevoerd. Toen hij zijn bezwaren introk hadden wij al kunnen weten dat we niet hadden hoeven gaan. Het was een ongeinspireerde bende, met veel herrie (muziek), die zelfs de heel jonge zaal (voornamelijk middelbare scholieren met hun docenten) niet mee kreeg. Wij drie oudere dames zaten onverstandig genoeg op de eerste rij, zodat we ook niet eens konden vluchten zonder blos op de kaken. LO mompelde (schreeuwde, moet ik zeggen) op een gegeven moment zelfs dat ik mijn kaartje niet hoefde te betalen. Maar ik heb me kostelijk geamuseerd en uitgebreid waar voor mijn nog niet betaalde geld gekregen toen ik eenmaal besloten had dat ik het niet te volgen verhaal niet hoefde te volgen en me op andere dingen kon concentreren, zoals de gitaristen, van wie er een wanhopige pogingen deed een Rolling Stone te lijken. In het begin leek dat een regieaanwijzing, maar toen eenmaal bleek dat er nauwelijks regie aan te pas gekomen was, kon die veronderstelling geschrapt worden.
Slechte teksten (`eeuwige liefde', waar moet het met de wereld naartoe als de jeugd dergelijke uitdrukkingen gewoon weer gaat hanteren?) en een volstrekt onduidelijk plot. Dolle avond.
Wie zegt dat je naar Amsterdam moet om te genieten?

donderdag, oktober 02, 2003

Heb dankzij IvE een leuke site ontdekt die ik kan aanbevelen: www.nobodyhere.com, van Jogchem Niemantsverdriet. Creatief, vermakelijk en ingenieus. Om jaloers op te worden. Ga vooral kijken.

Ik weet niet wat ik met deze, mijn eigen site moet. Wil ik alleen maar anekdotes vertellen? Van echte zieleroerselen komt het natuurlijk niet, daar is het te publiek voor. En het gekeutel over schoenen kopen of zwetende mannen in de achtertuin is ook maar heel even interessant. Maar ik weiger voorlopig dat als de ultieme handicap op te voeren. Ik ga gewoon nog even door met het gekeutel.

De afgelopen dagen veel etentjes met dames gevierd. Mannen ken ik sowieso nauwelijks meer. Volgens de hierboven al genoemde IvE hebben we die op onze leeftijd ook niet meer nodig. Ik twijfel. Nodig is het woord ook niet, maar soms zou het misschien wel aardig en nuttig kunnen zijn om een ander geluid te horen.
Dinsdag hebben we met vier vrouwen bij mij thuis gekeken naar de video die ik van MvH's feest had gemaakt. Veel pret, o.a. over de wel erg getekende koppen van onze leeftijdgenoten en onszelf. Het lijkt wel of we allemaal veel geleden hebben, of te veel gedronken natuurlijk.
Het directe gevolg van de vertoning was dat PdG en ES me uitnodigden op hun grote feest (als in november hun gezamenlijke boek uitkomt) ook te komen video'en. Eigenlijk de enige prettige manier om op een feest aanwezig te zijn.

This page is powered by Blogger. Isn't yours?